Test olandeză nivel începători

1. Kies het goede artikel:

2. Kies het goede artikel:

3. Kies het goede artikel:

4. Kies het goede artikel:

5. Kies het goede artikel:

6. Kies het goede artikel:

7. Kies het goede artikel:

8. Kies het goede artikel:

9. Kies het goede artikel:

10. Kies het goede artikel:

11. Ik ... in Amsterdam. (studeren)

12. Hij ... in Utrecht. (wonen)

13. Zij ... heel goed Nederlands. (spreken) - sg.

14. ... jullie uit Roemenië? (komen)

15. Hij ... Nederlands op school. (leren)

16. Karin ... drie kinderen. (hebben)

17. De vergadering ... om twee uur. (beginen)

18. Ik ... twee broodjes. (kopen)

19. Ik ... om vijf uur thuis. (gaan)

20. Hij ... iedereen vanavond naar een restaurant. (uitnodigen)

21. Ik heb een fiets. ... is blauw.

22. Je hebt een rode auto. ... is mooi.

23. De collega's gaan naar ... werk.

24. Ik ga met ... vriendin naar de bioscoop.

25. Gefeliciteerd met ... verjaardag.

26. ... kantoor is mooi. We werken daar sinds een maand.

27. Ze hebben twee kinderen. ... kinderen zijn nog niet op school.

28. "Twee vrouwen" is ... favoriete boek.

29. Hoe drinkt u ... koffie?

30. Ze heeft een boek geschreven. ... boek gaat over een liefde verhaal.

Vorbiți fluent în orice limbă!

Cursuri stimulative, structurate în lecții relevante și interesante
care se desfășoară într-un mediu atrăgător și confortabil.
Profesori dinamici și dedicați!

Aflați mai mult!
(021) 253 22 55