Test olandeză nivel mediu

1. Zij loopt ... de winkel.

2. Wij kijken ... de film.

3. Zij zitten ... tafel.

4. Moet je lang wachten ... de bus?

5. Hoe gaat het ... je moeder?

6. De pen zit ... de tas.

7. Wij komen ... zeven uur.

8. De lamp hangt ... de tafel.

9. De auto staat ... het Centraal Station en Sint Niklaas kerk.

10. De schoenen zitten ... de stoel.

11. Ik heb gisteren een mijn huiswerk ... .

12. Ik heb vandaag op de bus ... .

13. Hij heeft hard in de tuin ... .

14. Zij heeft de hele dag over haar baas ... .

15. Je heeft vijf sigareten ... .

16. Hij heeft zijn auto in de garage ... .

17. Ik heb Engels op school ... .

18. Jullie hebben naar de radio ... .

19. Zij heeft een e-mail ... .

20. Hij heeft hard ... .

21. Zij houdt ... muziek.

22. Wij praten ... de kinderen.

23. Zij kijken ... de wedstrijd.

24. We geven iest lekkers ... kinderen.

25. Ik heb zin ... koffie.

26. Zij gaat met de auto ... Amsterdam.

27. Mijn moeder denkt ... mij.

28. Frank spreekt ... de geschidenis van Nederland.

29. Zij zegt iets ... haar man.

30. B staat ... A en C.

Vorbiți fluent în orice limbă!

Cursuri stimulative, structurate în lecții relevante și interesante
care se desfășoară într-un mediu atrăgător și confortabil.
Profesori dinamici și dedicați!

Aflați mai mult!
(021) 253 22 55